

De grootvader van de soldaat Stutz, Joannes Jacobus Stütz, roepnaam Jacob, werd rond 1700 geboren in Entlebuch,
een dorpje in het schitterende district Entlebuch in Zwitserland. Als je vroeger aan een Zwitser vroeg: ‘Welches ist das schönste Buch der Welt?’ kreeg je niet voor niets als antwoord: ‘das Entle-Buch’. De taal die daar gesproken werd en wordt is Zwitsers-Duits oftewel Schweizerdeutsch, het geloof was rooms-katholiek.

Maar hoe mooi Entlebuch ook was, Jacob bleef niet in Zwitserland. Waarom?
Het plaatje van Entlebuch is romantisch genoeg. Maar de zeventiende eeuw, de eeuw waarin Jacobs ouders, Joannes Stutz en Anna Barbara Sonnenrein werden geboren, was allesbehalve romantisch en behoorlijk gewelddadig . Het gegooi in de glazen begon al toen in Praag toen begon al de Dertigjarige oorlog (1618-1648) met het geloof als inzet, een oorlog die je wel de allereerste wereldoorlog kan noemen. Ik weet het niet. Of misschien was Jacob gewoon een avonturier. Hij vertrok in ieder geval uit Zwitserland op naar Oberehnheim in de Elzas alwaar hij smid werd. Geloof echter niet dat met Jacobs vertrek Entlebuch ontstutzt was. In en om het dorp komt de naam Stütz nog steeds voor. Er is een Gasthaus Stutz in Flühli, waar ik graag eens zou hebben gelogeerd om vandaaruit Entlebuch te leren kennen.
Maar ja


DE ELZAS
De geboortegrond van de soldaat Stutz
was een heel apart gebied: dan weer Frans, dan weer Duits. De naam Elzas is afgeleid van het Oudgermaanse ali-sazzo, dat “aan de andere kant wonend” betekent (https://nl.wikipedia.org/wiki/Elzas). Dat wil zeggen: van Duitsland af gezien aan de andere kant van de Rijn wonend.
In 1681 is Straatsburg en omgeving van Duitse handen overgegaan naar Franse. In de loop van de 18de eeuw was de gehele Elzas onder Frans gezag gekomen en verfranste dit gebied steeds meer; zo werd het plaatsje Oberehnheim voortaan Obernai genoemd. Het staatsonderwijs was ook in het Frans, maar de bevolking op het platteland bleef echter als vanouds de Elzassische dialecten spreken. Ongetwijfeld waren de Stutzen in de Elzas tweetalig.
Wat zijn dat voor lui, die Elzassers?
Volgens Matthijs Vermeulen assimileerden de Elzassers zich slecht. Hij schrijft in 1929 in Bijdragen aan het Soerabaiasch Handelsblad: (https://www.dbnl.org/tekst/verm030bijd05_01/verm030bijd05_01_0135.php)
Als men een Franschman onder vier ogen vraagt, wat hij denkt van de Elzas-Lotharingers, zal hij zonder veel aarzelen zeggen, dat het een ‘sale race’ is. Hij bedoelt daarmee een beroerd en lastig volkje. Koppig, eigenzinnig, tegen den draad, mokkerig, nooit tevreden. In zijn binnenste kan hij hen niet goed zetten.
Verder schrijft Matthijs dat de Elzasser
een onverbeterlijk spraakgebrek heeft waar het op het Frans aankomt. Hij heeft een bizarre manie om alle zachte medeklinkers hard, en alle harde medeklinkers zacht te maken, elk woord te verhaspelen, te verklungelen, te verkluchtigen en als de Elzasser bovendien er eentje op heeft, wordt het vooral bespottelijk. Onder het Fransche bestuur ergert de Elzasser behalve het Fransch ook het laisser-aller, de nonchalance, het slabakken der Fransche administratie en bovendien het Fransch. Onder den Germaanschen overheerscher verdroeg hij echter met weerzin den Pruisischen Schneid (lef -Mut und Tatkraft, Schwung “es gehört Schneid dazu, das zu wagen”) en zelfs het Duitsch maakte hem kregel. Gedurende eeuwen was de Elzas noch geheel Duitsch noch geheel Frans noch geheel zichzelf. Kortom: de Elzasser wist niet wat hij wilde.
De kans is dus groot dat de Stützen uit de Elzas, behalve tweetalig, ook koppig, eigenzinnig, tegendraads en daarbij ontevreden mopperkonten waren. De kans is er, alhoewel grootvader Joannes Stütz oorspronkelijk uit Zwitserland kwam en dus geen geboren Elzasser was. Maar misschien zijn Zwitsers nog wel erger dan Elzassers in Franse ogen.
- In de Elzas is de legende ontstaan dat de ooievaar baby’tjes in een geknoopte doek aflevert bij een gelukkig ouderpaar. En deze voor de Elzas karakteristieke vogel leverde bij Jacob en zijn vrouw Anna Fintz omstreeks 1728 in het lieflijke dorpje Oberehnheim, dat ligt onder de rook van Straatsburg, een zoon af die Antoine werd genoemd.
Antoine groeide op, werd kleermaker, huwde in 1764 toen hij 35 jaar oud was met de dertigjarige Marie Catharina Weissenburger, dochter van een schoenlapper en trad vervolgens ook toe tot het gilde van de schoenmakers. In dit gezin werd als vierde kind Franciscus Antonius oftewel Toon, de hoofdpersoon van mijn verhaal, geboren op 13 september 1769.
Niet lang daarna voltrok zich in dit gezin een ramp. Moeder Catherine beviel op 10 mei 1771 van het vijfde kind, Seraphin en overleefde deze gebeurtenis niet, evenals de baby. Vader Antoine bleef achter met een vier jaar oud dochtertje, Catharina Elisabet en met de 2-jarige zoon Toon (Het oudste en het derde kind waren al eerder overleden).
Wat te doen als weduwnaar met twee kleine kinderen? De grootouders waren reeds lang overleden; van hen viel geen hulp te verwachten. Een mariage de convenance (verstandshuwelijk) lag voor de hand.
Op 22 januari 1775 trad de weduwnaar in het huwelijk met zijn tweede vrouw, Ottilia Ruggraff uit Boersch, dochter van een wijnbouwer. De kleine Toon was toen ruim 4 jaar.
Het is mij niet bekend of Toontje nog halfzusjes of -broertjes kreeg. Feitelijk is mij niets bekend over zijn jeugd, behalve dan het feit dat hij hobo leerde spelen. Waarschijnlijk heeft hij dat van de plaatselijke amateurs geleerd.
Het bleef stil rond Toon tot 1793. Toen dook hij op als 23-jarige soldaat in Den Haag. Hij had zich verhuurd als muzikant in het leger van de stadhouder Willem V. En over deze soldaat Stutz, mijn oudvader, die ik verder opa Toon noem, gaat de rest van het verhaal. En daarbij niet te vermijden over de man die het leven van opa Toon voor een groot deel heeft bepaald: Napoleon Bonaparte.
Een vreemd idee: als opa Toon de traditie had gevolgd en schoenlapper was geworden, zoals zijn vader en grootvader, had ik nooit bestaan. Maar de muziek was blijkbaar zijn lust en leven. Muziek als hobby was hem niet genoeg; hij wilde ermee in zijn onderhoud kunnen voorzien. En waar kon dat in die tijd anders dan aan een hof (kansloos voor hem) of in een leger?
Zijn vader zal niet blij zijn geweest met de keuze van zijn zoon. Soldaten stonden nu niet bepaald in aanzien in die tijd. Slecht betaald werden ze ook en soms werden ze helemaal niet betaald; dat werd dan deserteren, plunderen en erger. Nee, geliefd was l’homme armée, de soldaat, niet, bij geen enkele bevolking. Voor die lui moest je oppassen.
De muziek waarschuwt ook van oudsher voor het soldatenvolk. Quillaume Dufay (1397-1474) componeerde in de vijftiende eeuw al de mis l’homme armée.
En luister eens naar “The Armed Man” een stuk met als ondertitel ‘A Mass for Peace’ dat Karl Jenkins schreef in 1999: De man, de gewapende man, moet men vrezen…
Maar goed, zoals gezegd, opa Toon brak met een traditie. De tijd waarin hij leefde, maakte het hem ook wat gemakkelijker om dat te doen. Het was immers de tijd van de Verlichting – en ook de tijd van de klassieke muziek.